Eerste hoofdstuk WAT OVERBLIJFT

Een paar weken geleden gebeurde wat ik de laatste jaren afwisselend heb gehoopt en gevreesd. Een teken van leven, een handreiking van Johanna. Niet in eigen persoon, maar via de Universiteit van Leuven, waar ze na haar gedwongen vertrek uit Leiden, twintig jaar geleden, hoogleraar is geworden. Ze krijgt een onderscheiding en mijn aanwezigheid bij de plechtigheid ‘wordt zeer op prijs gesteld.’ De tijd heelt alle wonden zegt men, maar Johanna is een litteken gebleven, dat zelfs na al die jaren waarin we geen enkel contact hadden, bij vlagen nog prikt en trekt. Ik heb meteen gereageerd dat ik wilde komen. Soms moet je jezelf een stap voor zijn.
Met oud-collega Wouter, die weliswaar niet persoonlijk is uitgenodigd maar door onze vroegere werkplek is afgevaardigd, ben ik op weg naar Terneuzen, mijn geboortestad, waar we Johanna’s zus en broer, die ik nog van vroeger ken, zullen oppikken om morgen met ons vieren verder te rijden naar Leuven.
We zijn de tolpoortjes gepasseerd en naderen de Westerscheldetunnel.
‘Zesenzestighonderd meter.’ In Wouters stem klinkt ontzag. ‘Een hele verbetering, lijkt me, vroeger moest je toch met een veerpont?’
Ik kijk vluchtig opzij. ‘Ach…’
Vroeger was er tussen Zeeuw-Vlaanderen en de rest van Nederland een barrière: de Westerschelde, ergens in Noord-Frankrijk begonnen als lieflijk beekje, maar ter hoogte van Terneuzen een machtige rivier, een kilometer of vier breed. Om die barrière te overwinnen moest je tot 2003 met de veerpont, ‘het bootje’ zoals we het noemden. Of omrijden via Antwerpen, via het buitenland dus. Ach, het bootje… Het stond voor onthaasting. Tijdens het wachten tot je aan boord mocht kon je iets drinken in een van de restaurants, een zak patat kopen bij een kraam of een stukje wandelen over de dijk langs de Schelde, die niet voor niets ‘zeedijk’ genoemd werd. Aan boord genoot ik altijd van de geur van teer en benzine op het autodek, het gedreun en getril van de motoren, het geluid van voetstappen op de stalen trappen naar het bovendek, de houten buitenbanken die uitzicht boden over het golvende water, de salons met hun vele zitjes – veilig toevluchtsoord voor kou en angst –, de man achter het buffet in wit overhemd met zwarte das, die je chocomel of erwtensoep serveerde. Ook al duurde de overtocht maar twintig minuten, je was even in een andere wereld, los van alles wat je op de oevers aan de grond hield.
‘Voor mij had het niet gehoeven,’ zeg ik.
De strepen op de weg en de lampen aan het plafond van de tunnel flitsen ritmisch voorbij. De SOS-nissen die we passeren intrigeren me. Waar zou je uitkomen als je daar de nooduitgang neemt? Een auto achter me komt snel dichterbij, die moet behoorlijk wat harder rijden dan de toegestane honderd kilometer per uur. Boven me dreigt de immense watermassa, waar ik zo vaak overheen ben gevaren. Ik nader mijn geboortegrond.
Ik was verrast toen Wouter belde en meldde dat hij ook naar de plechtigheid ging en vroeg of hij kon meerijden. Dat laatste vond ik prima, een mooie gelegenheid om na lange tijd weer eens bij te praten, maar hoe kon het Instituut uitgerekend hem afvaardigen? En waarom had hij ‘ja’ gezegd? Ik zou me in zijn geval afzijdig hebben gehouden, gezien de gebeurtenissen van toen. Ik vroeg er niet naar, zei enkel dat ik ernaar uitkeek hem weer te zien.
Tot nu toe hebben we het onderwerp ‘Johanna’ gemeden. Met operamuziek van Vivaldi op de achtergrond – ik had voorgesteld Pärt op te zetten, maar Wouters ‘alsjeblieft niet’ was genoeg – hebben we de afgelopen honderdzestig kilometer over van alles gesproken: gezondheid, zijn vrouw Netty, mijn latrelatie met Ita, kinderen, kleinkinderen, klimaat, vluchtelingen, IS. Wouter heeft nog steeds stellige opvattingen en hoort graag dat ik het met hem eens ben. Het stoorde hem mateloos, toen ik zei dat ik me als zeventigjarige de luxe permitteer om het allemaal niet meer zo precies te weten, om niet overal iets van te vinden. Bovendien, zei ik, de wereld waar we het over hebben wordt grotendeels gemaakt door de media: die bepalen wat we zien, horen, weten, moeten vinden.
‘Dat is het begin van het einde,’ oreerde hij, ‘verlies aan maatschappelijke interesse is de eerste stap richting dementie.’
Ik volg het allemaal nog wel, maar ik heb het liever over de Ronde van Frankrijk die volop is losgebarsten, of over Wimbledon dat net voorbij is, of over boeken, films, muziek. En vooruit, een enkele opvatting ventileer ik nog wel, bijvoorbeeld over de manier waarop een deel van onze bevolking reageert op de stroom wanhopige mannen, vrouwen en kinderen die vanwege een allesverwoestende oorlog hun land zijn ontvlucht. En natuurlijk gruw ook ik van de niet te bevatten meedogenloze terreur van groepen als IS en Al Qaeda. Uit naam van hun God. Maar veel makkelijker dan vroeger kan ik tegenwoordig de afschuw die ik ervaar van me afzetten. Soms voel ik me schuldig over deze vorm van afstomping, maar ook dat wordt steeds minder: ik heb me nu wel lang genoeg om de mensheid bekommerd.
Af en toe klinkt het piepje van Wouters mobiel. Dan onderbreekt hij het gesprek, kijkt op zijn scherm en stopt zijn toestel meestal meteen weer weg. Een enkele keer veegt hij wat met zijn vinger, typt iets. Hij is op Facebook. Dat ik dat niet wil, begrijpt hij niet. Maar wat ik erover heb gehoord en een enkele keer vanaf de zijlijn heb gezien trekt me niet. Zelfs de aanmoedigingen van vrienden – ‘zo leuk voor als je kleinkinderen groter worden’ – doen me niet van mening veranderen. Dat zien we dan wel weer.
Wouter vindt mijn weerzin maar niks, maar doet geen poging me te overtuigen. ‘Weer zo’n teken dat je niet met je tijd meegaat,’ zei hij een minuut of tien geleden.
Ons gesprek is stilgevallen. Wouter pakt zijn mobiel zonder dat er een piepje heeft geklonken, vanuit mijn ooghoeken zie ik hem uitgebreid scrollen. Na een paar minuten bergt hij het apparaat op en zegt: ‘Ik ben benieuwd hoe ze er nu uit ziet.’
‘Hè?’ reageer ik, alsof ik niet weet waar hij het over heeft, maar zeg dan meteen: ‘Ongetwijfeld nog steeds mooi.’
Hij grinnikt. ‘Jaja, op haar tweeënzeventigste.’ Hij gaat even verzitten. ‘Heb je haar nog wel eens gezien of gesproken nadat ze vertrokken is?’
Ik kijk weer opzij. Met zijn gegroefde kop en golvend haar doet hij me denken aan een marmeren Romeinse portretkop uit het Leidse Museum van Oudheden. Zijn blauwe ogen, die een Engelse vrouwelijke collega me ooit als piercing beschreef, staren me vragend aan.
Ik schud mijn hoofd. Maar het is niet waar.
Een half jaar na haar ontslag hebben we elkaar nog een keer ontmoet. Op háár initiatief. Ze belde me op, zei dat ze me wilde spreken. Misschien konden we dat in Terneuzen doen, was haar voorstel. Ze zocht daar haar zus Annet op, ik kon vast wel bij mijn ouders langs, die toen nog leefden. Het was een zonnige, maar schrale voorjaarsdag. We wandelden langs de Schelde, de wind deed het wateroppervlak golven. Het duurde even voor we ter zake kwamen. Eerst spraken we over onze jeugdjaren in Terneuzen, alleen maar om het brandende onderwerp nog even voor ons uit te schuiven, over school – we hadden samen op het Petrus Hondius Lyceum gezeten –, over de tennisbaan, vriendjes en vriendinnetjes die we uit het oog waren verloren. Toen, gezeten op een bank, met uitzicht op een enkel traag schip en op de vage kustlijn aan de overkant, spraken we eindelijk over dat wat nog altijd tussen ons lag. Waarom had ik haar laten vallen? was haar vraag. Zoals altijd probeerde ze me háár regels van het spel op te leggen, háár interpretatie van wat was voorgevallen. Dat wilde ik niet laten gebeuren. Niet opnieuw. ‘Ik heb jou niet laten vallen,’ reageerde ik. Ik probeerde haar duidelijk te maken waarom ik toentertijd een grens had getrokken, dat wat ze toen van me verlangde te veel tegen mijn principes inging. Dat je dus evengoed kon zeggen dat zij negeerde wie ík was… Maar ik kreeg er nauwelijks de kans toe. Ze zocht haar gelijk en wat ik ook zei, ze bleef erg in me teleurgesteld. We zaten dicht bij elkaar, keken elkaar weer aan. Ze begon steeds harder te praten, of zweeg ineens en staarde me aan met de blik die ik zo goed kende, maar nooit helemaal heb kunnen doorgronden, alsof ze je wel zag maar met haar gedachten heel ergens anders was. Zelf sprak ik steeds zachter, voelde mijn spieren stijver worden. Aan het eind van het gesprek verweet ze me dat ik ondankbaar was, terwijl ze me toch zoveel had gegeven. Ik zei dat ik haar daarvoor wel degelijk dankbaar was. Hoewel we nauwelijks nader tot elkaar waren gekomen spraken we toch af dat we weer als vrienden met elkaar zouden omgaan, contact zouden houden, elkaar af en toe zouden opzoeken, weer samen naar muziek zouden luisteren. Een paar keer heb ik op het punt gestaan haar te schrijven, maar iedere keer deed ik het niet, bang als ik was voor een herhaling van zetten. En ook zij liet niet van zich horen. De opwinding die ik ervoer toen ik haar uitnodiging voor de plechtigheid in Leuven onder ogen kreeg, maakte me echter duidelijk hoezeer ze al die jaren in me was blijven voortleven.
‘Een paar jaar geleden kwam ik Annet tegen,’ zeg ik terwijl ik een treuzelende Fiat Panda inhaal. ‘Op een reünie van mijn middelbare school. Die zei dat het goed ging met Johanna.’
Het was de eerste reünie in mijn leven. Daarna heb ik er nog een paar meegemaakt, een van een studentendispuut en een van mijn vroegere tennisvereniging. Nooit had ik behoefte aan die reis naar het verleden, maar sinds mijn pensionering lijkt het of er over mijn school- en studententijd een sepiakleurige weemoed hangt. Het is een normaal fenomeen, ik heb er vaak genoeg over gelezen, maar als je het zelf meemaakt is het toch anders. Het gaat, zo denk ik nu, om het verlangen weer in contact te staan met je basis, met die springplank van waaraf je het echte leven begon en daarmee de gedroomde salto’s en de vlijmscherpe duik waarmee je alle toeschouwers zou verbijsteren voor even weer terug te halen. En – laat ik eerlijk zijn – ook om te horen wie van de vroegere school- en studiegenoten een platte klap op het water hebben gemaakt, gestruikeld zijn of uitgegleden.
Op die schoolreünie was het stampend druk. Het gemak waarmee ik oude contacten weer oppakte, verraste me. Er hing een sfeer van lotgenoten. Allemaal hadden we de ervaring dat de wereld niet langer een woest of weelderig oerwoud was waar ons levenspad zich doorheen slingerde, waar iedere boom een gebeurtenis was die er toe deed. Het woud was sterk uitgedund, waardoor de verstrijkende tijd beter zichtbaar was geworden. Allemaal hadden we het van de tijd verloren en we konden alleen maar afwachten hoe die zijn overwinning ging vieren: ons jarenlang laten sappelen, pijntje hier pijntje daar? Of ons opzadelen met een langgerekte terminale ziekte? Of korte metten met ons maken, zo’n geval waarvan mensen op de begrafenis zeggen: ‘een week geleden sprak ik hem nog, toen was er nog geen vuiltje aan de lucht…’ Hoe dan ook, allemaal zouden we binnen afzienbare tijd de Styx oversteken, de een wat eerder dan de ander. Ik zag mezelf al zitten als naakte schim, door mistige duisternis omgeven, in het bootje dat Charon met een grote roeispaan over woelig water langs donkere klippen laveerde, zoals ik als jongen had gezien in een geïllustreerd boek met Griekse mythen en sagen. Sommigen hadden niet eens meer naar de reünie kunnen komen wegens ouderdomsmankementen en er werden heel wat namen genoemd van schoolgenoten die al met de veerman uit de onderwereld hadden kennisgemaakt. ‘Leeft die ook niet meer?’ vroeg ik soms verrast. ‘Die? riep iemand dan uit, ‘weet je dat niet? Die is jaren geleden bij het wandelen in de bergen in een ravijn gevallen.’ Ik zag de oud-klasgenoot voor me, als vijftienjarige, met haar been in het gips. Toen al een pechvogel. Ik behoorde tot de overlevers. Daar was ik trots op, ook al begreep ik dat het een kwestie van geluk was en van goede genen.
‘Oh ja,’ reageert Wouter, ‘wat zei ze nog meer?’
‘Eerlijk gezegd hebben we het verder niet zo over Johanna gehad.’ Maar natuurlijk had ik Annet gevraagd of Johanna nog samen was met Erna, of ze veel vrienden had, of ze veranderd was. Ze had het nog wel eens over vroeger, had Annet verteld. ‘Ook over jou, en over die vreselijke collega, hoe heet die ook alweer?’ Wouter moest eens weten. Veel wilde Annet niet kwijt. Van kinds af aan kon ze niet zo goed opschieten met haar zus, al gaat ze morgen wel mee naar de plechtigheid.
Ik kan het Wouter toch maar beter zeggen, bedenk ik. In de beslotenheid van de tunnel gaat dat misschien iets makkelijker. ‘Ik hoop niet dat je het vervelend vindt, maar ik vond het eerlijk gezegd niet zo’n goed idee dat jij namens het Instituut naar de plechtigheid zou gaan.’ Terwijl ik spreek kijk ik af en toe kort opzij.
Met gefronste wenkbrauwen kijkt Wouter terug.
‘Nou ja, na wat er gebeurd is,’ ga ik verder. ‘Waarom wil je er eigenlijk heen?’
Het duurt een paar tellen voor hij antwoordt. In de verte gloort het eind van de tunnel.
‘Ik wil haar laten merken dat voor mij alles vergeven en vergeten is.’
‘Denk je dat dat voor haar ook geldt?’
‘Het is twintig jaar geleden, Matthijs, dan moet zij het zo zachtjes aan toch ook achter zich hebben gelaten?’
‘Ik ben bang dat je haar dan toch niet goed genoeg kent.’
Even zegt hij niets. Dan: ‘Waarom kom je daar nu pas mee?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Ik hou er niet van om moeilijk te doen.’
Wouter snuift.
We rijden weer in het daglicht.
‘Vergeet niet,’ zegt Wouter en zijn stem klinkt ietwat geïrriteerd, ‘dat Johanna en ik heel wat leuke jaren samen hebben gehad, al ver voordat jij kwam.’ Hij gaat rechter op zitten. ‘We zien het wel.’
Bijna onmerkbaar schud ik mijn hoofd.
We nemen de afslag Terneuzen. Vanuit mijn ooghoeken merk ik dat Wouter naar me zit te kijken.
‘Vertel eens,’ begint hij, ‘zijn jullie eigenlijk ooit met elkaar naar bed geweest?’
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Gewoon… er waren meer mensen die zich dat afvroegen.’
‘Nee,’ zeg ik, recht voor me uit kijkend. Misschien klink ik wat nors.
‘Niet zo’n gekke vraag toch?’
Ik geef wat meer gas en haal een gedeukte bestelbus in. We zwijgen.

Eerste bladzijde uit ONDERHUIDS

ZONDAG

Van een afstandje leek het een omgevallen vogelverschrikker, daar langs de kant van de weg. Maar nu hij dichterbij komt ziet Guido dat het een man is, die met gespreide armen en benen in het gras ligt. Of liever: een man wás. Want hij is onmiskenbaar dood. Vanmorgen nog heeft hij hem het terrein zien aflopen, met zelfverzekerde stappen, een man die nog van geen einde wist. Hij is een van de vier noorderlingen die gisteren hun intrek in het pensioncomplex Montagliari hebben genomen: blonde macho’s met volkse koppen. Ze bereiden zich voor op het festival dat over een paar dagen in het dorp zal losbarsten. Maar deze man zal nooit meer optreden. Hij ligt er vreemd bij, alsof hij aan een Andreaskruis genageld is. Een zwerm vliegen danst om hem heen. Zou hij een hartaanval hebben gehad? Is hij slachtoffer van geweld? Nee, er is niets wat op het laatste wijst. Hij lijkt niet eens ontevreden met de situatie. Sereen glimlacht de man naar de strakblauwe hemel. Even duizelt het Guido, staat hij te trillen op zijn benen. Het gefluit en geroep van vogels en het gesjirp van cicaden lijken niet meer tot hem door te dringen. Alle geuren die zo-even nog zo doordringend waren, zijn verdwenen. Hij kijkt om zich heen. Niemand te zien. Een paar uur heeft hij rondgedwaald, over slingerende weggetjes en paden, heuvel op heuvel af, te midden van gele en bruine akkers met hier en daar een boerderij, langs wijngaarden met krachtig groen om de stokken, door schaduwrijk bos vol ritselend leven, af en toe springend over borrelende beekjes. Hoe heerlijk om hier te zijn, ver van zijn oude omgeving, vrij om te doen en te laten wat hij wil. De hele streek ademt verleden, waar hij als historicus alles van weet: cohorten en legioenen zijn hier doorheen gemarcheerd, de Nationale Oerdichter komt hier niet ver vandaan, de Grote Verteller uit het nabije festivaldorp heeft hier als kind rondgezworven, kunstenaars uit de tijd van de Wedergeboorte hebben hun gevoel voor vormen en kleuren aan dit landschap ontleend. De echo van dit alles ligt over de velden, hangt tussen de bomen. Al wandelend genoot hij van zijn energie, van zijn lijf, van alles wat hij zag en hoorde, voelde en rook. Ook van wat hij dacht, van zijn eigen eruditie. En misschien vooral wel van het besef dat hij weer kon genieten. Juist dat laatste is belangrijk. Het geeft hem energie voor de klus die hem te doen staat en waarmee hij nu zo snel mogelijk aan de slag wil. Maar deze man aan de kant van de weg doorkruist dit plan. Verdomme. Hij kijkt weer naar links, naar rechts. Nog steeds niemand te zien. Het is al later op de middag, maar nog heet. Zweet loopt in straaltjes langs zijn rug omlaag, drupt van zijn voorhoofd in zijn ogen. Hij knippert, het prikt. Zal hij doen alsof hij niets heeft gezien? Gewoon naar huis gaan, aan het werk? Straks komt er zeker weer iemand langs, dit is de doorgaande weg van Montagliari naar het dorp. Maar nee, hij moet Paolo waarschuwen, hem de weg wijzen naar het lichaam, en wie weet wat hij verder nog moet. Als hij de weg opstapt, komen alle vertrouwde geluiden en geuren weer volop terug, de zon schijnt weer uitbundig. Hij zet er flink de pas in. Vlak boven zijn hoofd passeren hem een paar kraaiachtige vogels, die schorre kreten uitstoten.

Enkele pagina’s uit DE TROOST VAN EEN LICHAAM

December 1996

Onder zijn schaatsen is het ijs erg ribbelig en er staat een harde wind. Maar is dit niet precies wat hij zoekt? Zijn lichaam afbeulen, zijn kracht voelen, zijn verstand op nul? Al een heel eind krast hij nu door open terrein, met links en rechts weilanden en in de verte contouren van de bewoonde wereld, een kerkje, een boerderij. Zijn slag moet hij verder inkorten om in balans te blijven, zijn hoofd naar het grijszwarte ijs gebogen. Om de paar slagen kijkt hij even vooruit, om te zien of hij de goede koers volgt, of er geen scheuren aankomen of andere obstakels. Op die momenten striemt de koude wind zijn gezicht en beneemt hem bijna de adem. Af en toe haalt hij iemand in, met een korte groet. Eén keer werd hij zelf ingehaald. De neiging om de achtervolging in te zetten heeft hij onderdrukt. Nog geen vijf kilometer is hij onderweg, hij moet er dus nog meer dan twintig. Normaal is de Mijzenpoldertocht niet zo zwaar en zeker niet lang, maar onder deze omstandigheden is het niet eenvoudig.
In de briefwisseling met Chrisje is zijn mogelijke vertrek naar Nepal steeds meer realiteit geworden en nu heeft hij de knoop doorgehakt: begin januari vertrekt hij en laat hij Nederland achter zich, wie weet voor hoe lang. Een jaar? Langer? De rest van zijn leven? De gedachte geeft hem even het gevoel alsof hij op een schommel naar beneden suist. Nu het bijna zo ver is, slaat de onzekerheid toch weer toe. Is zijn vertrek niet een vlucht, vooral voor de uitzichtloosheid van zijn gevoelens voor Judith? En meende hij het echt toen hij tegen Chrisje zei dat zijn komst naar Nepal, met zijn boeddhistische traditie, ook onderdeel was van een spirituele zoektocht? Of praat hij dat zichzelf alleen maar aan? Hoe vreemd is dat toch. Hij lijkt wel uit twee personen te bestaan: één iemand die de beslissingen neemt en een ander iemand die daar verbaasd kennis van neemt. Hij recht zijn rug en laat zich even uit glijden. Zijn besluit leek zo logisch, maar nu komt het hem onbezonnen voor. Waar begint hij aan? Als hij eerlijk is, bedenkt hij, nog steeds uitglijdend, moet hij bekennen dat hij ook hoopt op iets met Chrisje. Hij ziet haar weer voor zich, op die avond, haar witte lichaam, dat hem zo gul ontving. Om van zijn getob af te komen buigt hij zich weer voorover en maakt meer vaart. De onrust kan hij daarmee echter niet verdrijven. Zijn maag krimpt als hij zich realiseert dat hij Judith achter zich gaat laten. Opnieuw gaat hij rechtop staan. Met zijn vertrek naar Nepal doorbreekt hij een impasse. Die kans moet hij aangrijpen. Hoe lang dobbert hij nu niet rond? Geeft hij met zijn vertrek zijn leven niet een beslissende wending, een duidelijk doel?
Terwijl de meters zich aaneen rijgen dooft langzaam zijn gedachtestroom, neemt hij alleen nog maar waar, het gekras van zijn schaatsen, het meanderende ijslint voor hem, de met dunne rijp bedekte weilanden. Zijn euforie neemt weer toe, gevolg van stofjes als endorfine en dopamine in zijn hersenen, weet hij.
Dan komt een koek-en-zopie-tent in beeld. Vanuit de verte ziet hij dat er verschillende mensen staan. Even rusten, even lotgenoten om zich heen.
Hij bestelt een hete chocolademelk. Bijna brandt hij zijn mond. De geur die opstijgt als hij in de beker blaast, brengt hem terug naar zijn middelbareschooltijd, naar schaatsen met klasgenoten in de kerstvakantie op de kreek bij Oud-Vossemeer, tikkertje op het ijs, dik ingepakte meisjes met kleurige mutsen en sjaals achterna zitten. Hij ziet een meisje voor zich op wie hij vroeger langere tijd verliefd was, haarscherp: haar bolle gezicht, rode muts, zwarte jack. Haar naam schreef hij ’s nachts met zijn vinger in het ijs op het raam van zijn slaapkamer. Ze heeft het nooit geweten.
Lang gunt hij zich geen rust. Voort gaat het weer. Niet ver na de koek-en-zopie, bij Avenhorn, maakt de route een scherpe bocht en daar krijgt hij de oostenwind in de rug. Zijn slag verlengend geniet hij van de vaart die hij kan maken, af en toe overeind komend om zijn benen en rug even rust te gunnen. De tocht voert tussen manshoog riet, langs boerderijen, molens, bomenrijen en enkele huizenblokken, maar vooral tussen eindeloze weilanden door. Als op een schilderij van Brueghel of Avercamp.

*

Te snel is hij alweer terug in Ursem. Hij duikt een café in en bestelt een glühwein. Zijn hele lijf gloeit aangenaam. Zoals de hete chocolademelk hem een uur geleden terugvoerde naar een ver verleden en een vroegere verliefdheid weer tot leven wekte, zo roept nu de glühwein een recenter verleden bij hem op: Hilde. Een steek gaat door zijn maag. Met haar dronk hij na het skiën altijd een glas van het warme kruidige vocht. Hij ziet haar voor zich, in haar modieuze skipak, leunend op haar stokken. ‘Waar blijf je nou?’ Ze kon veel beter skiën dan hij. En dan ziet hij haar, nog scherper, nadat ze met een massa skiërs de gondel zijn uitgestapt en over een rooster richting uitgang klossen, met de ski’s tikkend op de grond. Even was hij haar toen kwijt, tot hij haar zag, een stukje vooruit, naar hem glimlachend van onder haar witte wollen muts, in haar lichtblauwe skipak. Zo voor altijd bij hem horend. Hij krijgt een brok in zijn keel. Zijn aangenaam rozig gevoel verdwijnt. Als hij gewoon wat attenter was geweest, minder egoïstisch, zou ze dan verliefd zijn geworden op die collega bij de bank? Vragen die hij zichzelf al honderden malen heeft gesteld, maar die zich nu met ongewone kracht opdringen. Zou hij haar liever hebben dan Judith? Wat een onzinnige vraag. Maar goed dat hij naar Nepal gaat, ver van zijn verleden vandaan, een nieuw leven beginnen. Hij bestelt nog een laatste glas. Hij moet nog met de auto terug naar Leiden.

Eerste 10 pagina’s GEVANGEN

Hoofdstuk I

Het busje komt tot stilstand. De hele rit van Middelburg naar Utrecht heeft hij half slapend half wakend doorgebracht, eerder mijmerend over vroeger dan nadenkend over het heden. Het portier gaat open. “Komt u maar.”
Johan wordt door de begeleiders uit het busje geholpen. Achter hem schuift een indrukwekkende metalen poort dicht. Het diepblauw van de poort benadrukt dat hij in een andere wereld is aangekomen. In het gebouw voor hem  zitten dus zware criminelen, met wie hij ongetwijfeld te maken zal krijgen. Vreemd toch, dat iedereen lijkt te vinden dat hij daarbij hoort.
Een begeleider neemt hem bij de arm, een ander pakt de doos met zijn spullen. Via een stenen trapje gaan ze een ruimte binnen, waar een vriendelijk ogende geüniformeerde man hen opwacht.
“Dit is de badmeester,” zegt de begeleider die hem naar binnen bracht. De ander zet zijn doos op een soort toonbank.
Hij moet denken aan zijn kindertijd, toen hij op zwemles zat. Johan hield niet van de zwemlessen.
“Ja, zo noemen ze me hier,” glimlacht de ‘badmeester’, als hij Johan de hand schudt en zijn voornaam noemt.

Na de administratieve handelingen controleert de badmeester uitvoerig de doos met zijn spullen. Veel heeft hij niet meegenomen. Daarna vindt op dezelfde manier als hij in het Huis van Bewaring in Middelburg heeft meegemaakt, een lichamelijke check plaats. Johan voelt zich erg naakt voor deze man in uniform, met zijn witte plastic handschoenen. Maar niet onprettig. Gewillig doet hij wat hem wordt opgedragen. Armen omhoog en omlaag, ronddraaien, mond open, zak optillen. Onderzoek bij de huisarts of in het ziekenhuis heeft hij altijd prettig gevonden, al die op hem geconcentreerde aandacht, uiteraard in de verwachting dat hij uiteindelijk zal horen dat alles in orde is. Tot slot moet hij drie diepe kniebuigingen maken. In Middelburg hebben ze hem uitgelegd dat ze dat van hem vragen om na te gaan of hij niets in zijn anus heeft verstopt.

Zijn cel is op de tweede verdieping van het gebouw en ziet uit op een grote ommuurde buitenruimte. Leunend op de vensterbank kijkt Johan naar beneden. Twee mannen lopen naast elkaar een rondje. Bij de ingang naar het gebouw staan twee bewakers met elkaar te praten. De muren zijn groen geschilderd, met bovenin op een aantal plaatsen hemelsblauwe driehoeken, met de punt naar beneden en de basis vlak onder rijen prikkeldraad boven op de muur, die het toch al ondenkbare vluchten nog moeilijker moeten maken. In de muur tegenover hem zit een kleine metalen poort. Die geeft toegang tot de vrije wereld. Een aantal maanden geleden maakte hij daar nog gewoon deel van uit. In de verte, over de muur heen, ziet hij bomen met bladeren in herfstkleuren. Even komt een krachtig verlangen op naar wandelingen in bossen, in een duingebied, De Horsten of in de Pan van Persijn. Die tijd komt wel weer, al zal het even duren. Jaren waarschijnlijk. Hij heeft geen spijt van wat er is gebeurd. Hij heeft nooit ergens spijt van. Alles wat gebeurt, is onvermijdelijk, het is zoals het is, hij heeft het zo gewild. Al had hij graag iets anders gewild.

Het luikje van zijn deur wordt geopend. Hij draait zich om.
“De psychiater komt met u kennismaken.” Meteen daarna wordt de sleutel omgedraaid en zwaait de deur open. Een rijzige man komt binnen, stapt op hem af, schudt hem de hand, noemt zijn naam. “Hoe gaat het met u?”
“Ach ….” Johan haalt zijn schouders op. De psychiater oogt al even open als de groepleidster die hem een uurtje geleden naar zijn cel heeft gebracht.
“U weet dat alles wat u zegt deel uitmaakt van ….,” begint de psychiater.
Johan laat hem niet eens uitpraten. “Ja, dat weet ik.” De groepsleidster heeft het hem allemaal al verteld. Op zijn stoel wijzend, zegt Johan: “Gaat u zitten.” Zelf gaat hij op bed zitten.
De psychiater legt nog eens zijn rol uit.
Johan luistert en humt. Aardige vent, die psychiater. Misschien kan die hem helpen wat meer helderheid voor zichzelf te krijgen.
De psychiater laat even een stilte vallen en zegt dan: “Ik begrijp dat u ook zelf om dit onderzoek heeft gevraagd?”
Johan knikt. “Ik begon me zorgen te maken over mezelf.” En na een korte pauze: “Justitie vindt het ook een goed idee, mijn advocaat minder.”
De psychiater glimlacht. “Morgen mag u me het allemaal wat uitgebreider uitleggen.”

Als de psychiater is vertrokken, gaat Johan weer voor het raam staan. De twee mannen lopen er nog steeds. Ook de bewakers staan nog op dezelfde plaats te praten. Een gevoel van rust komt over hem heen. Zo erg is het niet hier te zitten. Integendeel, je kunt je gewoon laten leven, je hoeft alleen maar mee te werken.

*

 Sacha woont aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Johan moet een aantal steile smalle trappen opklimmen voor hij op haar verdieping is. Ze staat met een lichte glimlach in de deuropening. Wit topje, zwart minirokje, blote voeten. Met een schok constateert hij dat ze er niet uitziet als een vrouw die tegen betaling haar lichaam aanbiedt. Niet dat hij daarvan een duidelijk beeld had, maar ergens in zijn onderbewuste had hij iets met laarsjes, of een overdaad aan make-up, of een uitdagende blik verwacht. Maar het meisje in de deuropening heeft niets van dat alles, ze zou een studente van hem kunnen zijn, of een buurmeisje. En ze is mooi, verbijsterend mooi.
“Een hele klim.” Op de bovenste tree, met zijn hand nog op de leuning staart hij haar aan. Hij probeert niet te laten merken dat hij buiten adem is.
“Hoi,” zegt ze. En als hij niet in beweging komt: “Kom verder.”
Johan loopt op haar af. “Ik ben Johan, ik heb …” Het kost nog steeds moeite om zijn ademhaling onder controle te krijgen.
Voor hij bij haar is, draait ze zich om en loopt naar binnen. “Kom.”
Johan volgt haar aan. Ze heeft een prachtig figuur, lang, slank. De gedachte dat hij haar straks naakt zal zien, haar zelfs zal aanraken, maakt hem nog zenuwachtiger dan hij al is. Zo geluidloos mogelijk haalt hij een paar keer diep adem. Ze gaat een kamer in. Met de deurknop in de hand draait ze zich om en zegt nog een keer: “Kom.”
Het is een slaapkamer, een vrij kleine ruimte, met een naar verhouding groot bed, het hoofdeinde van gietijzer, met veel stangen en krullen. Het is er behaaglijk warm. Opnieuw is hij uit zijn evenwicht. Hij had zich voorgesteld dat ze eerst in een zitkamer iets zouden drinken, een praatje zouden maken. Het bed maakt meteen zo duidelijk waarvoor hij hier is. Hij kijkt wat beter om zich heen. In de muur tegenover het bed is een groot raam, de gordijnen zijn dichtgetrokken. Tegen een zijwand staat een hoge smalle klerenkast, met daarnaast een verwarmingsradiator. Ze kleedt zich meteen helemaal uit, gooit haar kleren op de grond naast het bed en gaat liggen. Het gaat hem allemaal te snel. Niets van het langzame knoopjes losmaken, plagerig talmen bij het zich ontdoen van kledingsstukken, in kleine stapjes opbouwen van de spanning.
“Kleed je ook maar uit,” zegt ze.
Hij doet wat ze gevraagd heeft en legt zijn kleren op een stoel naast de verwarming. Bij het uittrekken van zijn hemd en zijn onderbroek houdt hij zijn buik zo goed mogelijk in, de meer dan dertig jaar leeftijdsverschil moet niet al te goed te zien zijn. De warmte van de radiator straalt tegen zijn blote benen en billen.
Als hij op de rand van haar bed zit en zij naakt binnen handbereik is, durft hij haar pas goed te bekijken: ze heeft een zeldzaam mooi gevormd lichaam, een strakke buik met twee getatoeëerde dolfijntjes om haar navel, kleine stevige borsten, lange slanke benen.
Ze glimlacht. “Je mag me wel aanraken.”
Hij laat zijn hand aarzelend over haar lichaam glijden, alsof hij verboden terrein betreedt. Haar bleke huid is strak en glad. Langzaam beweegt hij van een schouder naar haar borsten, verder naar haar buik, haar kruis vermijdend, langs één been naar beneden tot aan haar enkel, via het andere been terug omhoog, tot aan haar hals. Zijn hand trilt. Zoals zo vaak heeft hij moeite om helemaal zichzelf te zijn. Het is alsof hij een rol speelt en tegelijk toeschouwer is. Hij kijkt haar nu werkelijk aan. Ze heeft prachtige bruine ogen, een markante smalle neus en een kleine mond met dunne lippen en regelmatig gevormde tanden. Haar blik straalt een mengeling van voornaamheid en onzekerheid uit. Welke bijzondere omstandigheden zouden iemand van haar allure ertoe hebben gebracht om zichzelf via een sekstelefoon tegen betaling aan te bieden? Langzaam begint begeerte in hem op te vlammen.
Dan lijkt ze onbehaaglijk te worden onder zijn blik en zijn aarzelende aanraking. “Wil je me likken?”
Hij knikt langzaam.
Ze legt een kussen onder haar billen.
Op zijn leeftijd zo’n jong lichaam aanraken, op de meest gevoelige plekken betasten, schenden …. Het deugt niet, hij overtreedt een natuurwet. Maar onder dat weten brandt nu, veel krachtiger, het verlangen om haar te likken, te proeven, om zichzelf in haar te verliezen.
Hoe goed hij ook zijn best doet, hij kan haar niet met zijn tong tot een orgasme brengen. Af en toe wordt hij te moe, hij zit ook nogal ongemakkelijk op zijn knieën, en rust dan even uit met zijn hoofd in haar schoot.
Na een minuut of vijftien vraagt Sacha: “Wil jij niet klaarkomen?” Ze gaat rechtop zitten, leunend tegen een kussen.
Op zijn buik tussen haar gespreide benen liggend kijkt hij naar haar op, leunend op zijn ellebogen. Ze glimlacht. Langzaam voelt hij zich completer worden,  meer aanwezig in het hier en nu, minder schuldig ook. “Nee,” zegt hij, “jij niet, dan ik ook niet.”
“Wat lief van je.”
Er valt even een stilte. Dan zegt ze: “Kom maar naast me zitten.” Ze legt een kussen naast zich tegen het hoofdeinde van het bed.
Johan doet wat ze vraagt. Alles aan haar bevalt hem, haar lichaam, haar stem, haar blik. Het is zelfs meer dan dat: ze fascineert hem.
“Ben je getrouwd, heb je kinderen?” vraagt ze.
Johan vertelt haar dat hij al heel lang alleen woont en geen kinderen heeft.
“Je zou een goeie vader zijn.”
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. Is dat een verwijzing naar zijn leeftijd? Zijn gevoel van welbehagen neemt wat af. Hij kijkt haar onderzoekend aan, maar hij ziet geen spoor van ironie.
“ Het is er nooit van gekomen,” zegt hij.
“Des te beter, dan heb je meer tijd voor mij.”
Johan is opnieuw verrast. Dit is toch een niet mis te verstane uitnodiging om vaker te komen. Dat heeft ze dan wel heel snel beslist, maar hij is er gelukkig mee.
“Ik zou wel al mijn dagen aan je willen besteden,” zegt hij. Natuurlijk is dat onzin, tenminste, hij zou wel willen, maar zoveel tijd heeft hij niet en het zou natuurlijk te veel kosten.
“We zullen zien,” zegt ze. “Kun je altijd?”
“In ieder geval op woensdagen en in het weekend.” Woensdag is een vrije dag van zijn werk. Meestal werkt hij dan ook, maar hij zou best eens wat meer aan zichzelf kunnen denken.
Ze zijn even stil. Heb jij een vriend?” vraagt Johan dan.
“Ja.”
“Al lang?”
“Al jaren.”
“En die weet dat je dit doet?”
Ze lacht kort. “Wat dacht je dan?” En meteen daarna: “Je zult hem misschien nog wel leren kennen. Hij heet Alexander.”
Haar vriend leren kennen ….. hij wordt toch niet ergens ingelokt? Zou ze dit eigenlijk fulltime doen? Hij vraagt of ze verder nog iets omhanden heeft.
“Ik zit op de PABO, maar ik ben even gestopt.”
“En je vriend,  wat doet die?
“HBO informatica, maar hij is ook gestopt. Nou ja, we zijn eerlijk gezegd nooit echt begonnen.”
Ze zwijgen weer even.
“Kleed je maar aan.”
Niet te opvallend op zijn horloge kijkend, ziet hij dat er een minuut of veertig voorbij zijn. Geen uur. Hij gaat van bed af en begint zich aan te kleden.
“Hoeveel hadden we ook alweer afgesproken?” vraagt ze.
Haar vraag leidt hem af, hij wankelt bij het aantrekken van zijn sokken. “Vijftig gulden. Au!” Zijn been komt tegen de hete radiator. Zijn broek oprapend om zijn portemonnee te pakken merkt hij dat zijn nog niet helemaal geslonken erectie licht heen en weer zwaait. Stom, hij had eerst zijn onderbroek moeten aantrekken. Hè, waar ….? O ja, zijn portemonnee had hij in zijn jaszak gedaan. Linkerzak …. rechterzak …. Natuurlijk, in zijn binnenzak. Godverdomme, wat staat hij toch onhandig te doen. Als hij even naar haar gluurt, ziet hij dat ze geamuseerd toekijkt. Hij pakt zestig gulden en reikt het haar aan.
Ze glimlacht nog steeds, in al haar blanke glorie. “Dank je.”
Gehaast gaat hij door met zich aankleden.
“Bel me maar gauw op.”
“Zal ik doen.” Met zijn jas over zijn arm loopt hij naar de deur, hij wil nu zo snel mogelijk weg.
“Krijg ik geen kus?” Ze gaat op de rand van het bed zitten en biedt hem haar wang aan.
Johan doet een paar stappen terug en drukt er een vluchtige kus op, kijkt haar nauwelijks aan. “Dag Sacha.”
“Noem me voortaan maar Nathalie, zo heet ik eigenlijk,” roept ze hem na.

*

 Johan staat op van zijn bureau. De eerste versie van het verslag van de conferentie in Padova staat op papier: Scienze dell’Educazione, Marzo 1994. Twee weken geleden alweer. Hij had er eerder aan moeten beginnen, maar de gedachte dat niemand binnen de faculteit erop zit te wachten, weerhield hem steeds. Hij heeft wel een idee over wat hij verder nog wil schrijven en aanbevelen, maar hij kan de goede woorden niet meer vinden. Hoewel het zaterdag is en hij ook thuis had kunnen werken, is hij toch naar zijn kamer op de faculteit gegaan, in de hoop zich daar beter te kunnen concentreren. Het bezoek aan Nathalie kan hij echter niet uit zijn gedachten krijgen. De hele afgelopen nacht is ze door zijn hoofd en de rest van zijn lichaam blijven spoken en nog steeds is hij onrustig. Hij had zijn verslag klaar willen hebben voor hij de paasdagen bij zijn familie in Zeeland ging doorbrengen, maar dat gaat niet lukken. Hij loopt naar het raam dat uitziet over de singel. Het zwarte water spiegelt de gebouwen aan de overkant. Een jongen die voorbij fietst kijkt toevallig naar boven en ziet hem wellicht staan. Wat zou hij denken? Als beginnend student, pas aangekomen uit een buitenprovincie, had hij zelf ongetwijfeld ontzag gevoeld, een verlangen om al verder te zijn en vermoedelijk ook angst dat hij het niet zou kunnen waarmaken als student. Hij heeft het wel degelijk waargemaakt. Een mooie baan aan de universiteit, goed betaald en inhoudelijk interessant, waardering van zijn collega’s, in zijn eigen vakgroep en aan andere universiteiten. Hij kijkt de fietsende jongen na tot hij uit het zicht is verdwenen en blijft daarna nog een tijdje voor het raam staan, zijn handen op zijn rug. Sacha …. Nathalie ….. haar ogen, haar glimlach, haar blanke huid, de dolfijntjes en vooral de vochtige geurende warmte tussen haar benen.

*

 Hoewel hij zijn afkomst als iets bijzonders beschouwt (“eigenlijk ben ik een halve Belg,” koketteert hij soms), gaat hij niet zo vaak naar zijn Zeeuwse familie. Alleen op hoogtijdagen, met kerst of zoals nu, met Pasen. Soms slaapt hij dan in het huis van zijn broer Jan, maar meestal verblijft hij in het familieboerderijtje, dat zijn vader ooit heeft overgenomen van een boer die zijn schulden niet kon betalen. Het ligt niet ver van de zeedijk in ongeveer het stilst denkbare stukje Zeeuws-Vlaanderen. Alles bij elkaar stelt het boerderijtje niet zoveel voor: een woonhuis met kleine zitkamer, eetkeuken en twee slaapkamers en achter het huis een kleine schuur met een lapje grond eromheen, Het was de bedoeling dat zijn vader er op zijn oude dag zou gaan wonen, maar een vroege hartinfarct heeft dat plan doorkruist. Bij zijn moeder kan hij niet meer logeren, sinds ze in een bejaardenflat zit.

Op zondagmorgen zoekt hij haar op, om na de koffie met haar naar Jan te gaan, voor het familie-uitje naar Knokke. Ze zit in de hal op hem te wachten en komt zenuwachtig blij overeind als ze hem ziet binnenkomen. “Aahhh, daar ben je!” Ze loopt op hem af. “Lieve jongen.”
Ze zoenen.
“Je ziet er goed uit, Ma.” Het is een standaardzinnetje. Eerlijk gezegd ziet ze er ouder uit dan met kerst. “Voel je je ook goed?”
“Ach …..” Ze kijkt hem even onderzoekend aan. “Je bent magerder geworden. Eet je wel goed?”
Ook standaardzinnetjes. Al heeft ze dit keer misschien wel gelijk. De afgelopen twee dagen heeft hij slecht gegeten. En ook slecht geslapen.
Ze lopen in de richting van de liften. Door de gesloten deuren van de gemeenschapsruimte komen klanken van psalmen. Als kind heeft Johan vaak staan luisteren bij het zwartekousenkerkje, vlak bij zijn ouderlijk huis, naar diezelfde dreunende psalmen, of naar flarden van een onheilspellende preek: “Het zijn niet alleen de voetballers die de zondag ontheiligen …” Het was de kerk van zijn grootouders. Van zijn opa heeft hij ooit een schop gekregen, toen hij om een kwartje voor de kermis vroeg: “Dat is van de duivel.” Een tweede schop kon hij net ontwijken. Bijna een halve eeuw geleden. De liftdeuren gaan open.

Zijn moeder heeft vanuit haar kamer uitzicht op de Schelde.
“Hoe is het op je werk?”
“Goed.” Hij vertelt dat hij naar Italië is geweest.
“Het is daar wel mooi zeker?”
“Prachtig. Ik ben nog naar een museum geweest.” De organisatie van het congres had een bezoek aan de Scrovegni-kapel geregeld. Schitterend, een klein kerkje, waarvan alle wanden bedekt waren met fresco’s van Giotto.
Zijn moeder heeft koffie gezet in het apparaat op haar kamer. Slokjes nemend staren ze zwijgend over het grijze water, naar Zuid-Beveland, waar zij geboren is. Dan laat hij zijn blik gaan over de vele voorwerpen in de kamer, spullen waarmee hij is opgegroeid: vazen, muurtegeltjes, schilderijtjes, kleedjes. Zijn blik blijft rusten op het schilderijtje van de Houses of Parliament.
Zijn moeder ziet het. “Dat heb ik van je vader gekregen, toen hij terugkwam uit Engeland.”
Alsof hij dat niet al lang wist.
“Het is zonde, zo jong gestorven.”
“Hij was al in de zeventig Ma.”
“Veel te jong.”
Ja, zijn dood was onverwacht. Hij leek nog zo gezond, maar overwoog wel of hij met werken zou stoppen en op de boerderij zou gaan wonen. Op een feestje van de plaatselijke voetbalvereniging was hij in elkaar gezakt, op de dansvloer. Zijn moeder en broer waren juist die dag op bezoek in Leiden. Midden in de nacht ging de telefoon. De huisarts. Paniek. Ze waren meteen in de auto gestapt.
Boven de televisie hangt een tegel van Delfts Blauw, een landschap met een molen.
“Die is nog van mijn grootmoeder ….. heel veel geld waard.” Ze heeft het al wel honderd keer gezegd.
Na weer een poosje stilte, waarin hij de klok op de schoorsteen hard en traag hoort tikken, vraagt ze: “Heb je nog steeds geen verkering?”
Het is na al die jaren al niet meer een informatieve vraag, maar een van de zinnetjes die deel uitmaken van het ritueel, dat ze iedere keer als hij op bezoek is herhalen. Daar voelt ze zich kennelijk prettig bij. Het geeft hem ook een gevoel van vertrouwen. Alsof de wereld even klopt.

*

Zoals wel vaker in vakanties blijft hij na het familie-uitje een paar dagen langer in zijn eentje op de boerderij, genietend van de stilte en van de ruimte. Als kind heeft hij ook vaak op de boerderij gelogeerd, meestal in zomervakanties die toen eindeloos duurden en veel heter waren dan tegenwoordig. Gedurende een aantal jaren woonde tante Amelie er, nadat ze gescheiden was van oom Hugo, broer van Johan’s vader. Toen ze erin trok, midden vijftiger jaren, heeft ze het huis gemoderniseerd, met een nieuwe keuken en badkamer.
Wandelend over smalle binnenweggetjes door eindeloos akkerland, met hier en daar een boerderij, en over binnendijken met kale bomenrijen, komt hij tot rust. Ieder jaar treft hij hetzelfde aan, zo anders dan in de Randstad, waar alles voortdurend verandert. Ook de Schelde is zoals hij altijd al was. Over de zeedijk lopend luistert hij naar het water dat tegen de basalten stenen aanklotst. Stilletjes glijden grote zeeschepen richting Antwerpen of Vlissingen, zo langzaam dat de tijd trager lijkt te verstrijken.
Op dinsdag fatsoeneert hij de tuin een beetje, haalt hier en daar onkruid weg. Vervolgens gaat hij naar het dorp om zand en tuinaarde te kopen. Hij wil de put dempen, om er daarna bloemen in te kunnen zetten. Als kind was hij bang voor de put, voor de diepte, waar een heks verscholen zat, die je in het water kon trekken. Terug thuis heeft hij geen zin om zijn plan uit te voeren en hij zet de zakken in de schuur. In de schemerige ruimte lijkt de tijd te hebben stil gestaan. Alles is er nog als vroeger, invallende banen licht, spaden, heggenschaar, kruiwagen, bezem, potjes op een plank, dik grijs stof, spinnenwebben.

*

 Johan kruipt door de bosjes dichterbij, heel langzaam, heel voorzichtig. De grond is droog, de kluiten doen pijn aan zijn blote knieën. De struiken zijn dicht, moeilijk om doorheen te komen, sommige hebben doornen, die hij zo goed mogelijk probeert te vermijden. Ze spelen zijn liefste spel: cowboytje en indiaantje. Meestal doen ze dat op deze plek, rond hun school, buiten schooltijd of, zoals nu, in de vakantie. Hij mag graag naar binnen kijken, vooral in zijn eigen klaslokaal, maar nu is hij met iets heel anders bezig: hij besluipt het opperhoofd van de indianen, het vrouwelijke opperhoofd.
Lia zit tegen het schuurtje waar de tuinspullen van de school zijn opgeslagen. Als opperhoofd heeft ze een elastieken band om haar voorhoofd, met daaraan een aantal duivenveren. Ze heeft  haar benen tot haar kin opgetrokken, haar rokje is naar boven geschoven, zodat hij haar lichtblauwe onderbroek kan zien. Een boog en een aantal pijlen liggen naast haar. Ze kijkt voortdurend naar rechts, kennelijk verwacht ze dat daar het gevaar vandaan komt. Maar hij komt van links. Eerlijk gezegd is hij een beetje bang voor Lia, ze is ook een paar jaar ouder dan hij. Ze zit al in de voorbereidende klas van de HBS en hij nog maar in de vijfde. Nog een paar meter, ze ziet hem nog steeds niet. Voorzichtig nu, dat hij geen geluid maakt. Hij pakt zijn houten pistool uit de elastieken band van zijn broek. Zou hij de sprong wagen? Ze kan natuurlijk nooit zo snel een pijl schieten. Als hij haar met zijn pistool kan raken, dan hebben zij – de cowboys – gewonnen. Toch durft hij niet zo goed. Plotseling hoort hij geritsel achter zich en kort daarna voelt hij een pijl zijn rug raken, heel zachtjes, maar hij weet wat het betekent: hij is gewond en moet zich overgeven. Hij draait zich om en  ziet een grijnzende Harry, het broertje van Lia. Hoe heeft die hem kunnen raken, door de struiken heen? Lia heeft het nu ook gezien en staat op.
“Geef je over,” zegt Harry.
Johan kruipt de bosjes uit. Op zijn knieën en steunend op één hand tast hij kreunend met zijn andere hand naar zijn borst. Daar is hij wel niet geraakt, maar zijn hand op zijn rug houden is te ingewikkeld. Het is wel zo leuk, gewond zijn en hij kreunt nog eens extra hard.
“Geef je over?” zegt Harry nog eens.
“Ik geef me over,” kreunt Johan.
“We moeten hem gevangen nemen,” zegt Lia, “dan hebben we iets te eten voor morgen.” Ze loopt op Harry af. “Geef me je touw maar, dan zal ik hem vastbinden, ga jij de anderen maar zoeken.”

Eigenlijk mogen ze helemaal niet in het schuurtje komen, maar de deur was gewoon open. Er staan allerlei spullen, een kruiwagen, een grasmaaimachine, zakken zand, spaden, bezems, bloempotten, emmers. Ze zitten tegenover elkaar, Lia op de kruiwagen, Johan op de grond, leunend tegen een zak zand. Zijn  handen zijn op zijn rug vastgebonden. Hij kreunt nog steeds, deels ook omdat het touw aan zijn polsen werkelijk pijn doet. Lia zit al een tijdje vreemd naar hem te kijken. Wat wil ze toch? Dan staat ze op, loopt naar buiten, komt al snel weer naar binnen, gaat op haar knieën voor hem zitten, pakt de band van zijn korte broek en wurmt die naar beneden. Johan schrikt heel erg, wil bijna iets roepen, al weet hij niet wat,